Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Tussen half mei en half september nam Neuhaus bezit van vrijwel het volledige instituut. Ook nu lag de drijfveer in de realisatie dat deze tijd wordt gekenmerkt door een complex van crises die zich vrijwel gelijktijdig lijken te voltrekken, en die niet los te zien zijn van een stormachtige technologische ontwikkeling. Geijkte financiële, politieke en maatschappelijke systemen bezwijken. De planeet raakt in hoog tempo uitgeput. En de klimaatcrisis is al lang geen sektarische onheilsprofetie meer, maar een voldongen feit. In veel van die ontwikkelingen is het menselijk ontwerpend vermogen niet schuldloos. In hun vernieuwingsdrang hebben architecten en ontwerpers bijgedragen aan de uitputting, verkwisting en overproductie waarvoor zij nu, op grond van diezelfde kwaliteit, geacht worden een belangrijke rol te spelen in het onderzoek naar oplossingen.
 
Vanuit dit besef programmeerde de academie voor meer-dan-menselijke kennis een breed programma, met zeven leerlijnen: Meeting Matter, Time Worlds, Collective Bodies, Multispecies Urbanism, More-than-human Languages, Other Subjectivities en Extended Senses. Neuhaus daagde bezoekers en deelnemers uit na te denken over andere bronnen van kennis dan uitsluitend het menselijk vernuft. En het stelde vragen bij het antropocentrische wereldbeeld dat technologie maar ook de planeet als ondergeschikt beschouwt aan het welzijn van de menselijke populatie. De leerlijnen waren ingebed in een divers en intensief programma van fysieke ervaringen (installaties), trainingen, workshops, lezingen, wandelingen, filmvertoningen, performances en (internationale) onderzoeksbijeenkomsten. Ruwweg de helft van het Neuhaus programma werd geconcipieerd en geproduceerd door Het Nieuwe Instituut. De andere helft ontstond op basis van voorstellen uit een Open Call voor externe projecten. Een indrukwekkende reeks van meer dan 140 partners, waaronder onderzoekers, ontwerpbureaus, kunstenaars en educatieve instellingen, was betrokken en kreeg binnen het instituut ondersteuning bij de realisatie van hun bijdragen.
 
De verkenningen van een nieuwe rol voor de ontwerpsectoren hebben zich in 2019 niet tot de looptijd van Neuhaus beperkt. Ook in het uiterst goedbezochte Thurday Night Live! programma keerde het perspectief geregeld terug en in november verzamelden docenten, lectoren en andere betrokkenen uit het kunstonderwijs zich voor een bijeenkomst onder de titel Redesigning the Designer. De constatering dat de antropocentrische focus van de ontwerpdisciplines om fundamentele herziening vraagt, is nog maar betrekkelijk vers. Toch is het afgelopen jaar gebleken hoezeer de essentie daarvan resoneert in de internationale gemeenschap van ontwerpers, architecten, curatoren en opleiders, en hoezeer ook het publiek bij deze thematiek betrokken wil worden. Toen Het Nieuwe Instituut zijn jaarlijkse Call for Fellows publiceerde, ditmaal met het thema ‘BURN-OUT. Exhaustion on a Planetary Scale’, kwamen er 197 projectvoorstellen binnen uit landen als Australië, Barbados, China, Egypte, Frankrijk, Guatemala, Nederland, Italië, Peru, Roemenië en Zuid-Afrika.
 
In Milaan stond de XXIIste Triënnale dit jaar onder artistieke directie van architectuur- en designcurator Paola Antonelli. Haar keuze voor Broken Nature: Design Takes on Human Survival als overkoepelend thema van deze editie van het driejaarlijkse evenement verraadde een vergelijkbaar startpunt. Als design in de voorbije decennia zo sterk heeft kunnen bijdragen aan de beschadiging van onze natuurlijke habitat, aldus Antonelli, dan zou het op zijn minst bereid moeten zijn om – waar dat nog mogelijk is – bij te dragen aan het herstel. Op uitnodiging van het ministerie van OCW realiseerde Het Nieuwe Instituut, in samenwerking met extern curator Angela Rui, een bijdrage aan Broken Nature. De installatie I See That I See What You Don’t See, met werken van diverse kunstenaars, architecten en ontwerpers, concentreerde zich op de effecten van het helverlichte landschap dat onder meer in Nederland is ontstaan. Om optimaal te kunnen produceren is een kassengebied als in het Westland 24/7 verlicht. En ook op vele andere plekken wordt het duister vrijwel uitgebannen. Maar tegen welke prijs?
Toen de installatie in september naar Rotterdam verhuisde, werd de feestelijke opening (met meer dan duizend bezoekers) aangegrepen voor een symposium. In een bomvolle aula luisterden de bezoekers naar presentaties waarin de duisternis het voornaamste thema was. Met een ’spoken word’ performance door Akwasi, en bijvoorbeeld de presentatie van actueel wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van nachtwerk, of de oproep om een totaal nieuw begrip te ontwikkelen van een architectonische en stedenbouwkundige praktijk die het belang van de planeet als vertrekpunt erkent.

I See That I See What You Don’t See kon alleen zo snel en zo breed worden ontwikkeld omdat er binnen de afdeling Research van Het Nieuwe Instituut al sinds 2017 onderzoek gaande is rond het thema ‘automated landscapes’. Daarbij wordt de opkomst van volledig geautomatiseerde werklandschappen vastgelegd en ondervraagd. In 2019 zijn resultaten van dit onderzoek tevens gepubliceerd, besproken en getoond in onder andere Mexico Stad (conferentie Mextrópoli), Hong Kong (onderzoeksprogramma Tai Kwun Centre for Heritage and Arts) en Shenzhen (tentoonstelling Automated Landscapes Time, Cycles, Automata, onderdeel van de Bi-City Biennale of Urbanism\Architecture 2019). Veelal is er ten behoeve van deze publieke presentaties intensief samengewerkt tussen de Researchafdeling en het Agentschap voor Architectuur, Design en Digitale Cultuur van het instituut, terwijl ook de diplomatieke posten en lokale partners nauw betrokken waren bij de realisatie.

De thematische en organisatorische verwevenheid van activiteiten binnen verschillende geledingen van Het Nieuwe Instituut is het resultaat van een gerichte inspanning. Die heeft in 2019 zichtbaar gerendeerd. Weliswaar opereert het instituut vanuit drie pijlers – het Museum voor Architectuur, Design en Digitale Cultuur, de Rijkscollectie van Nederlandse Architectuur en Stedenbouw en het eerdergenoemde Agentschap, geflankeerd door Research – maar precies zoals het instituut de synergie tussen de ontwerpdisciplines tracht te versterken, doet het dat ook binnen de eigen organisatie. Architecture of Appropriation, een onderzoek naar kraken als architectonische praktijk, startte in 2016 vanuit Research. Een jaar later werd er een museale presentatie gerealiseerd in Zaal 3, kwamen de ruimtelijke strategieën van de kraakbeweging aan bod in talloze lezingen en workshops, en werd een webmagazine rond het onderwerp gevormd. Tegelijk begon het onderzoek naar de implicaties voor de samenstelling van de Rijkscollectie. En in juni 2019 verscheen het boek Architecture of Appropriation. Between institutions and activist practices terwijl het onderwerp via het Agentschap aan de orde werd gesteld in het symposium Frames of Resistance tijdens de Seoul Biennale of Architecture and Urbanism 2019 in Zuid-Korea.

Het Nieuwe Instituut kreeg in 2018 op basis van het programmaplan Architectuur Dichterbij door het ministerie van OCW een bedrag van elf miljoen euro toegezegd. In het voorjaar van 2019 zijn twaalf projecten in uitvoering genomen. De begrippen ‘houdbaar’, ‘bruikbaar’ en ‘zichtbaar’ zijn daarbij richtinggevend. Tot en met 2024 wordt gewerkt aan het verbeteren van de fysieke staat van de Rijkscollectie, aan de (digitale) ontsluiting en de publiekmaking van het omvangrijke bezit. Bovendien maakte Het Nieuwe Instituut dit jaar een begin met een strategische heroriëntatie op de eigen erfgoedtaak. Die heeft alleen maar aan belang gewonnen door het besluit van de minister om vanaf de komende Cultuurplanperiode een belangrijk deel van de instituutstaken als erfgoedtaken te beschouwen. Met ingang van 2021 zal voornamelijk de bemiddelaarsrol – belegd in het Agentschap – nog vanuit de Basis Infrastructuur (BIS) worden bekostigd.

Met regelmaat hebben het instituut en partners in het veld de afgelopen jaren aandacht gevraagd voor het ontbreken van beleid ten aanzien van archieven op het gebied van vormgeving en digitale cultuur. In maart 2019 sloot de tentoonstelling Speculatief Design Archief waarin de verkenning naar een toekomstige archiefvoorziening voor deze disciplines centraal stond. Al tijdens de looptijd van de tentoonstelling had het ministerie de handschoen opgenomen, en in overleg met Het Nieuwe Instituut en de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers een inventarisatieopdracht verstrekt die belangrijke en bedreigde archieven op het gebied van design en digitale cultuur in kaart moest brengen. Begin juni kon het resultaat van deze brede verkenning, waaraan tal van organisaties uit beide deelgebieden hun bijdrage leverden, aan het ministerie worden gepresenteerd. Kort daarna besloot de minister een ontwikkelbudget beschikbaar te stellen dat partijen tot het ingaan van de nieuwe beleidsperiode de kans geeft de planvorming rond de voorgestelde decentrale archiefvoorziening verder uit te werken. Door zijn betrokkenheid bij dit traject en als beheerder van de Rijkscollectie onderkent Het Nieuwe Instituut ten volle het belang van het erfgoedvraagstuk dat bovendien een toenemend belangrijke rol is gaan spelen in het nationale cultuurbeleid.

In alle opzichten was 2019 voor Het Nieuwe Instituut een productief jaar waarin een breed publiek genoot van een tentoonstelling als The Hoodie en een internationaal gezelschap specialisten van naam en faam bijdroegen aan de samenstelling van de More-than-human Reader. Waarin het programma Rotterdam for Real de agenda van het instituut verbond met makers, plekken, en actuele ruimtelijke en maatschappelijke vraagstukken in de stad. Waarin de website groeide tot inmiddels meer dan zesduizend pagina’s en 250 gespecialiseerde webmagazines. Een jaar ook waarin vijf uiterst goedbezochte FamilieFests zijn georganiseerd. Hoewel ze pas vanaf 2018 worden gehouden, hebben de FamilieFests nu al een vaste plaats op de culturele kalender van de stad. Vooral jonge Rotterdammers en hun familieleden komen in de schoolvakanties deelnemen aan een programma dat volledig op hun maat is geschreven.

Het Nieuwe Instituut huldigt sinds de start in 2013 het principe van inclusiviteit (op het gebied van geloof, leeftijd, gender, culturele achtergrond, wereldbeeld, fysieke of mentale beperkingen, etcetera).  Inclusiviteit is een vereiste om daadwerkelijk 'meerstemmig' te zijn. In de programmering en bij het werven van partners en publiek neemt het instituut inclusiviteit als uitgangspunt, bijvoorbeeld met betrekking tot onderwerpkeuze en line-up van Thursday Night Live! Dat is een doorlopend proces van leren, reflecteren en bewustwording, ook voor de organisatie zelf. Zo nam het architectenbureau AFARAI in het kader van de zomerprogrammering van De Nieuwe Tuin, getiteld Just Hanging Out, ‘het rondhangen’ als een beginpunt om na te denken over eigenaarschap, de waarde van ‘vrije’ publieke plekken, en hoe de aanwezigheid van ‘anderen’ impact heeft op de ervaring en benadering van ruimte en De Nieuwe Tuin in het bijzonder.

In het kader van Internationale Vrouwendag nodigde Het Nieuwe Instituut iedereen uit om mee te werken aan het project De omgekeerde vrouw in het Study Centre. Alle boeken die zijn geschreven door mannelijke auteurs, of boeken die een man als onderwerp hebben, werden omgekeerd in de kast geplaatst. Aan het eind van de week waren alleen nog de ruggen te onderscheiden van boeken die over vrouwelijke architecten of ontwerpers gaan, of door een vrouwelijke auteur zijn geschreven. Met deze interventie wilde Het Nieuwe Instituut de rol van gender binnen het architectonische onderzoeks- en werkveld zichtbaar en bespreekbaar maken. De actie leidde tot heftige reacties op sociale media.

In de foyer van het instituut zijn begin 2019 de publiekstoiletten genderneutraal gemaakt en dus toegankelijk voor iedereen ongeacht gender, identiteit of expressie. Sinds het najaar is een een projectoverstijgende samenwerking tot stand gebracht met het Rotterdamse collectief Concrete Blossom. Zij waren nauw betrokken bij de programmering in het kader van de tentoonstelling The Hoodie en bij de ontwikkeling van een jongerenprogramma. Daarnaast is het collectief op een ontregelende manier betrokken bij de alledaagse gang van zaken in het instituut. Met ongevraagd advies, extra programmering en bijvoorbeeld via voorstellen voor de ontwikkeling van een HR-strategie dragen deze activiteiten bij aan de vereiste – en soms ongemakkelijke – dialoog met talloze, verschillende stemmen in het veld. Tegelijk ondersteunen ze het gezamenlijk onderzoek naar strategieën rond inclusiviteit. In een versplinterd ontwerpveld wil Het Nieuwe Instituut immers zowel meerstemmig zijn als verbindend optreden.