Scrollend door de lange lijst van slachtoffers van vrijdag de dertiende november 2015 in Parijs zien we een hartverscheurend portret van een generatie van kosmopolitische jonge mensen, afkomstig uit zeer verschillende plekken en sferen, van de banlieue tot en met de internationale wereld van architectuur. Het gaat niet alleen om fortuinlijke studenten die met beurzen de wereld hebben gezien, of vanuit het buitenland naar Parijs zijn gereisd om daar in hippe cafés en concertzalen hun geluk te zoeken. Sommige slachtoffers zijn Fransen die als kinderen van migranten uit Chili zijn gekomen, anderen hebben ouders die in de jaren zeventig uit Algerije of uit Congo kwamen.

De slachtoffers vertegenwoordigen een klasse van stedelingen die uitermate mobiel is, met netwerken en relaties die zich over de hele wereld uitstrekken, met achtergronden die uitermate divers zijn, die in staat zijn om razendsnel hun netwerken te mobiliseren voor werk, voor logeeradressen, voor contacten of voor relaties.

Binnen het jargon van ons vreemdelingenbeleid zouden de slachtoffers van 13/11 zich echter niet voordoen als één heterogene generatie, maar als een serie streng uit elkaar gelegde categorieën. Sommigen zouden we arbeidsmigranten noemen, anderen expats, weer anderen kinderen van politieke vluchtelingen, anderen derde-generatie allochtonen. Ze zouden allen aanleiding hebben gegeven tot andere regelingen, opvattingen, onderzoeken en politieke meningen. Hun gezamenlijke verschijning in de lichtflits van de aanslagen dwingt ons echter veel beter te kijken naar wat deze generatie stedelingen deelt, en dat is: migratie.

De ‘Génération Bataclan’ inspireert ons om migratie te beschouwen als een algemeen en fundamenteel fenomeen in het hedendaagse Europa, in plaats van als een reeks deelproblemen, die ieder apart beschouwd ons uit elkaar drijven en bovendien nooit adequaat opgelost kunnen worden. 

Vluchtelingen

De eerste aanleiding voor het schrijven van dit stuk was niet de tragedie in Parijs van 13/11 maar de vluchtelingencrisis die Nederland en vele andere Europese landen doormaakten de afgelopen maanden. Deze crisis confronteert ons met de breekbaarheid van de wijze waarop we onze ruimte besturen en hebben ingericht. Terwijl de afgelopen decennia hebben laten zien dat conflicten aan de grenzen van Europa en daarbuiten tot plotselinge pieken in de hoeveelheden asielzoekers leidden, werden we toch weer ‘verrast’ door de duizenden vluchtelingen die vanuit Syrië naar ons land kwamen, op de vlucht voor een conflict dat al jaren bezig was. Het vergde het razendsnel inrichten van noodopvanglocaties, het verordonneren van leegstaande vakantieparken, het bouwen van hele tentenkampen. De processen waarmee dit gebeurde verliepen hals over kop en leidden soms tot hevige confrontaties met lokale gemeenschappen. De acute nood van de situatie maakte dat bestuurders van COA en IND dikwijls de hoogste prijs moesten betalen voor locaties en lokale bezwaren naast zich neer moesten leggen.

Maar veelzeggender dan dit managementprobleem zijn de locaties van het overgrote deel van de opvangplekken: in de dunner bevolkte delen in het oosten en noorden van Nederland. We kennen de beelden van de lommerrijke dorpen waar ineens honderden vreemdelingen aan worden toegevoegd die verloren bij een bushalte in de regen staan, de vakantieparken kilometers verwijderd van de dichtstbijzijnde winkel, en de monumentale kazernes, waarvan de zalen vol staan met bedden. Een groot deel van de huidige golf van asielzoekers zal de begeerde positie van ‘statushouder’ verkrijgen, waarna het COA samen met gemeentes in Nederland vaste woonruimte voor deze mensen moet gaan zoeken. Dat leidt opnieuw tot vele conflicten, onder andere met woningcorporaties die eerst van Minister Blok te horen hadden gekregen dat ze minder sociale huurwoningen moeten aanbieden, waardoor ze nu geen woningen hebben om statushouders te huisvesten. Nu deze onder politieke druk geen voorrang mogen krijgen van Minister Blok, ontstaat er een ‘scramble’ voor locaties en gebouwen. Dit leidt soms tot interessante herbestemmingsprojecten zoals het Ministerie van Sociale Zaken in Den Haag dat nu wordt omgebouwd tot woningen voor nieuwe Nederlanders, maar het beeld van een overheid die zich heeft laten overvallen domineert.

Als we naar de kaart kijken die aangeeft waar in Nederland de asielzoekers en statushouders in eerste instantie terechtkomen, en hier de kaart overheen leggen die weergeeft waar in Nederland de banen beschikbaar zijn (namelijk in de Randstad), zien we dat er weinig overlap is tussen beide zones. Dit is merkwaardig omdat we allemaal willen dat de geaccepteerde vluchtelingen zo snel mogelijk integreren in de maatschappij, dat hun kinderen naar school gaan, dat ze de taal leren, werk krijgen en een bijdrage leveren.

Uit de wijze waarop de asielzoekers met uitzicht op statushouderschap worden gehuisvest kunnen we afleiden dat we geen stedelijke strategie hebben waarmee we hun in het hart van onze economie, onze steden en onze gemeenschappen kunnen opnemen.

Het zou te gemakkelijk zijn om de vluchtelingenproblematiek - opnieuw - af te doen als een tijdelijke noodsituatie, die uniek is in haar problematiek. Maar dat we het moeilijk vinden om op een adequate wijze de stijging in het aantal vluchtelingen die zich bij ons meldt op te vangen en een toekomst te bieden, is een symptoom van een breder probleem met de flexibiliteit en het absorptievermogen van onze steden. Bovendien ontkennen we door het isoleren van het vluchtelingenprobleem het feit dat migratie een fact of life is geworden en alleen maar zal gaan toenemen in de komende decennia. De enige manier om met de vluchtelingenproblematiek om te gaan, is om haar niet als een apart probleem te beschouwen, maar als een veel breder fenomeen dat evengoed de vluchteling voor oorlog of armoede betreft, als de goed verdienende expat, de heen en weer reizende arbeidsmigrant, de nomadische student, de van stad naar stad verhuizende architect en zelfs de Nederlander wiens bestaan onzeker en onvoorspelbaar is geworden door een geflexibiliseerde arbeidsmarkt. 

Arbeidsmigranten

Wat de asielzoekers en statushouders meemaken, is ook wat de seizoenarbeiders in de aspergesteek, de Poolse arbeiders, de zogenaamde EU-arbeidsmigranten, doormaken. Er zijn op dit moment 400.000 arbeidsmigranten in Nederland waarvan een groot deel in slechte omstandigheden tijdelijk woont in - opnieuw - vakantieparken, onderverhuurde kleine woningen, caravans en op de bedrijven waar ze werkzaam zijn. En opnieuw wordt de problematiek geïsoleerd tot een zuiver huisvestingsvraagstuk. Wat het zo moeilijk maakt om voor deze groep adequate huisvesting te regelen, is precies de tijdelijkheid van hun verblijf, en de vele verschillende individuele keuzes die zij daarin maken. Sommigen werken ieder jaar een paar maanden in Nederland, maar houden hun vaste domicilie in Polen, anderen besluiten hier te komen wonen en een gezin te stichten; weer anderen wonen hier een paar jaar met hun gezin en verhuizen dan weer terug.

De scheiding die er echter bestaat tussen het huren en kopen van huizen, tussen hotels en appartementen, tussen sociale huurwoningen en de vrije sector, en de afwezigheid van tijdelijke huurcontracten, maken ons huisvestingssysteem ongeschikt om om te gaan met de dynamiek en vooral de grote verschillen in de vraag van arbeidsmigranten, of het nu gaat om de Sloveense aspergesteker of de Canadese expat die werkt voor het internationaal gerechtshof.

Het lijkt vreemd om het lot van een asielzoeker, op de vlucht voor terroristisch geweld in Syrië, wachtend in een kazerne in Drenthe, te vergelijken met een Roemeense stukadoor die slaapt in een caravan in Limburg of met een hoogopgeleide maar modaal verdienende expat op zoek naar een gemeubileerde huurwoning. Maar alle drie confronteren ze ons met een ontoereikende inrichting van stad en land die is gebaseerd op stabiliteit en definitieve vestiging, in een wereld die op allerlei schaalniveaus steeds meer gaat over flexibiliteit en migratie.

Als we naar de wereld om ons heen kijken, is er geen aanleiding om te denken dat de toestroom van migranten naar Europa en Nederland gelijk zal blijven of zelfs zal afnemen.

De combinatie van de gevolgen van de klimaatverandering met die van de extreme bevolkingsgroei in Afrika, waar volgens de United Nations Populations Division tot het einde van de eeuw de bevolking bijna zal verviervoudigen, van 1,1 miljard naar ruim 4 miljard, zorgt voor bijna onvoorstelbare projecties over migratie. Alleen al in 2014 hebben volgens de UN 60 miljoen mensen hun huis en haard gedwongen moeten verlaten vanwege effecten van klimaatverandering; voor de komende generatie wordt dat aantal al enkele jaren door de UN en verschillende NGO’s geschat op 150 tot 200 miljoen tot 2050. Net als met de oorlogsvluchtelingen zal het overgrote deel van de klimaatvluchtelingen en de honderden miljoenen nieuwe Afrikanen die naar de steden trekken dat in ‘eigen regio doen’. Maar al verhuist slechts één procent van de nieuwe Afrikanen in deze eeuw naar Europa, dan gaat het toch om 30 miljoen mensen, terwijl nu in de EU rond de 5 miljoen Afrikanen wonen, volgens de IOM (International Organization for Migration).

Flexibel bestaan

De druk vanuit de rest van de wereld om naar onze regio te komen uit zich in de dramatische beelden van de honderdduizenden mensen die met boten de Middellandse zee oversteken en in het nu al bijna permanente tentenkamp ‘Le Jungle’ in Calais. Maar we zien het ook in de buitenwijken van Londen waar Afrikaanse entrepreneurs verlaten winkelcentra weer tot leven wekken met groothandels en online supermarkten voor producten uit Somalië, Eritrea, Ghana, Nigeria et cetera. Naast de gruwelijke beelden van de confrontatie van de migranten met ‘Fort Europa’ bestaan er ook de informele netwerken waar illegalen, asielzoekers en uitgeprocedeerden zich mengen met de statushouders, en de Nederlanders, Engelsen, Fransen of Duitsers met Afrikaanse roots, die hun geheel eigen economie hebben.

Geld dat wordt verdiend in Nederland wordt voor een deel weer teruggesluisd naar het land van herkomst. Het African Studies Centre in Leiden berichtte in 2011 van de investeringen door Amsterdamse Ghanezen in woningen in Accra, terwijl de architect Bernd Upmeyer kortgeleden een fascinerende studie maakte over het ‘Binational Urbanism’ dat in praktijk wordt gebracht door mensen die zowel in de Turkse wijk Kreuzberg in Berlijn wonen én investeren in vastgoed, als in steden in Antalya. Deze trans- of binationale ruimtes betekenen een belangrijke economische uitwisseling tussen deze landen die geheel los staat van internationale handelsverdragen of diplomatie. Het is bottom-up globalisering, met een directe zichtbaarheid op buurt- en straatniveau.

De toenemende druk van de zogenaamde economische migranten en asielzoekers op onze grenzen, evenals de conflicten in de ons omringende gebieden zullen ongetwijfeld leiden tot politieke debatten en waarschijnlijk tot drastische koersveranderingen in de wijze waarop we met migratie om gaan. De precieze manier waarop kunnen we nu nog niet voorspellen. Maar we kunnen er wel zeker van zijn dat de migrant in al zijn verschillende gedaantes zich steeds sterker zal manifesteren en dat ‘het systeem’ zich gedwongen zal zien om ingrijpend te veranderen.

Het onderscheid tussen de migrant en de niet-migrant zal verflauwen.

Tussen de vluchteling, de asielzoeker, de statushouder, de allochtoon, de arbeidsmigrant, de research fellow, de student, de gasthoogleraar, de stagiaire, de au-pair, de pied-à-terre bezitter en de remigrant zal de overeenkomst steeds duidelijker worden. En die overeenkomst is dat ze een flexibel en onzeker bestaan leiden, waarbij hun aanpassingsvermogen en hun beweeglijkheid cruciaal is om het geluk te vinden dat ze zoeken.

Als het bovenstaande zich inderdaad zo zal ontvouwen, zullen onze steden en buurten steeds sterker gekenmerkt worden door een komen en gaan van mensen, een groeien en krimpen van de bevolking, een verschijnen en verdwijnen van voorzieningen en ondernemingen, een steeds van kleur verschietende identiteit.

Wat betekent het ontwerpen en plannen aan een Stad van Komen en Gaan in concrete zin? We zouden kunnen beginnen bij de acute problematiek van de asielzoekers en statushouders die nu een moeizaam bestaan leiden in de marges van Nederland, met kinderen die geen toegang hebben tot normale niveaus van zorg of onderwijs. De eerste vraag is: wáár willen we dat deze mensen straks hun leven gaan opbouwen? Wáár willen we dat ze gaan ‘bijdragen aan de maatschappij’? In plaats van ze te isoleren in de krimpende en marginale delen van Nederland, zouden we ze ook kunnen verwelkomen in de gebieden waar wél banen zijn, waar de zorg en de onderwijsinstellingen door hun schaal en diversiteit beter in staat zouden moeten zijn om pieken in de bevolking op te vangen, met andere woorden: in het verstedelijkte landschap van Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Noord Brabant.

Niet alleen de sociale en economische mogelijkheden zijn groter in de Randstad; ook vinden we, binnen de dichte en vruchtbare netwerken van West Nederland, gebieden waar de komst van nieuwe bewoners een positieve invloed kan hebben, bijvoorbeeld in steden die aan vergrijzing en het verdwijnen van voorzieningen onderhevig zijn.

'Arrival cities'

Voormalige groeikernen als Zoetermeer of Capelle aan den IJssel, Purmerend en Spijkenisse zijn op alle mogelijke manieren verbonden met de infrastructuur, de voorzieningen en de banen van de Randstad. Daarnaast bieden ze ruimtelijk marges en ruimte voor transformaties en toevoegingen. Nieuwe winkels, werkplaatsen en bovendien nieuwe generaties scholieren en klanten zouden de oude groeikernen weer nieuw leven kunnen inblazen. Een bijkomende kracht van de oudere New Towns, zoals Almere, is dat ze wel degelijk populair zijn bij de allochtone middenklassen, die hier hun huizen kopen en ook zelf bouwen, bijvoorbeeld in het Homeruskwartier. Deze bestaande netwerken van voormalige migranten kunnen de economische en sociale inbedding van hun regio- en landgenoten vergemakkelijken. Hiernaast zijn er in de Randstad nog meer van dit soort ruimtelijke-economische kansen voor een stedenbouw van de migratie te vinden. Zo zijn er vele gemeenten met onvoltooide Vinex-locaties, waarvoor de grondaankopen al zijn gedaan, maar de projectontwikkeling volgens het Vinex-model nog niet op gang is gekomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Vathorst, Lansingerland of Leidsche Rijn. Ook hier geldt dat er een behoefte is aan een nieuwe generatie bewoners, aan nieuw draagvlak voor de verdunnende voorzieningen.

Ondanks het feit dat in de groeikernen en de Vinex-wijken anti-immigratie partijen als de PVV een relatief grote populariteit genieten, zijn het ook de plekken waar de allochtone middenklasse zich sterk manifesteert, en daarmee juist een voedingsbodem legt voor verdere internationalisering.

En wellicht zal een dynamische door de migratie gevoede economie, op termijn de sociaal-economische stagnatie wegnemen, die dikwijls leidt tot het stemmen op xenofobe en racistische partijen als de PVV.

Tenslotte kunnen we ook de vele perifere kantoorlocaties en bedrijfsterreinen die voor grote delen leeg staan, met name in de groeikernen, rekenen tot deze categorie van goed verbonden locaties in de luwte van de ontwikkeling. Het zijn onpopulaire plekken voor gevestigde bewoners en bedrijven, maar als ontwikkelingslocaties wellicht een buitenkans voor internationaal georiënteerde (nieuwe) Nederlanders.

Journalist Doug Saunders beschrijft in zijn boek Arrival City stadswijken of hele steden waar de nieuwe immigranten binnenkomen, van Shenzhen tot en met Slotervaart, Thamesmead tot en met North Mumbai. Kunnen we in Nederland bewust dergelijke Arrival Cities bouwen? Kunnen we deze plekken zo ontwerpen dat ze bij uitstek zijn ingericht op het bieden van de vrijheid en de netwerken voor nieuwe groepen als uitvalsbasis om zich in te werken in de Nederlandse economie? Zo ja, aan welke eisen zouden dergelijke ontwikkelingen moeten voldoen? Een korte inventarisatie van de agenda’s die met een op migratie gestoelde stedenbouw te maken hebben levert het volgende op: We zullen moeten kijken naar hoe onze woningmarkt en huisvestingsbeleid is ingericht, hoe het flexibiliteit en dynamiek zou kunnen faciliteren in plaats van afstraffen; naar hoe de bouwindustrie functioneert, maar ook naar de wetgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu.

We zouden naar de nieuwe Nationale Omgevingsvisie moeten kijken die het Rijk op dit moment aan het opstellen is en deze kritisch moeten bevragen op de mogelijkheden voor flexibiliteit, ondernemerschap, tijdelijkheid en netwerken die deze met zich meebrengt. Tegelijkertijd moeten we kijken naar de omgevingsvisies die door lokale overheden worden gemaakt, en hoe deze op actieve wijze ruimte kunnen bieden aan de economische en sociale dynamiek van migratie. We zouden met maatschappelijke organisaties, lokale overheden en ondernemers concreet moeten nadenken over hoe we onze openbare voorzieningen kunnen inzetten als vaste bakens in door verandering gekenmerkte wijken en buurten. We moeten proberen te snappen welke rol de openbare ruimte in zijn algemeenheid kan spelen als plek van ontmoeting en uitwisseling waar de confrontatie plaats vindt tussen de nomadische burgers van de eenentwintigste eeuw.

Toch is om al deze deelvragen bij elkaar te brengen, en om de consequenties en mogelijkheden van een Stad van Komen en Gaan zichtbaar te maken juist het stedenbouwkundig ontwerp van cruciaal belang, en moet het zelfs het startpunt zijn. Het zichtbaar en concreet maken van de gezamenlijke betekenis van de verschillende implicaties van op migratie gerichte wijken en steden is onmisbaar voor hun integrale ontwikkeling, maar ook voor een maatschappelijk debat. Door middel van stedenbouwkundige beelden kunnen we de brede betekenis van migratie voor onze steden zichtbaar maken en ontsnappen aan de enkelvoudige problematieken van de expat of de vluchteling, de arbeidsmigrant of de internationale student. We hebben beelden en modellen nodig van een stad of een straat waarin migratie het fenomeen is dat de burgers delen, in plaats van dat het hen uit elkaar drijft.

Het Nederlandse ontwerp, en Nederland àls een ontwerp, is het aan zijn internationale reputatie verplicht om, vanuit de acute nood van het vluchtelingenvraagstuk, migratie te omarmen als een enorme impuls voor het ontwikkelen van de steden en wijken van de toekomst.

Ontwerpend onderzoek is daarbij van belang om scenario’s en vernieuwende combinaties zichtbaar te maken en er mee te kunnen simuleren. Maar ook concrete projecten zijn nodig om ‘facts on the ground’ te creëren en daadwerkelijk ervaringen op te doen. We hebben immers echte plekken nodig waar die stedelingen die belang hebben bij mobiliteit, flexibiliteit en beweging samen zullen komen, of dat nu de jonge autochtone ondernemers met een groot internationaal netwerk zijn, studenten die voor drie of vier jaar goedkoop in een zo dynamisch mogelijke buurt willen wonen, de net gearriveerde vluchteling die zo snel mogelijk een nieuw bestaan wil opbouwen, of de arbeidsmigrant die een Nederlandse basis nodig heeft voor zijn transnationale bestaan. Kunnen wij in Nederland, met haar geïnstitutionaliseerde planning en ontwerp, dergelijke plekken ontwerpen, die ons met de wereld verbinden? Kunnen wij een Stad van Komen en Gaan maken, één die recht doet aan de veelzijdigheid en de energie van de Génération Bataclan?

 

Essay van Michelle Provoost en Wouter Vanstiphout

Dit artikel is ook verschenen in het Blauwe Kamer Jaarboek Landschapsarchitectuur en Stedenbouw 2015