Precies een jaar geleden klonk het allemaal zo vanzelfsprekend. In een terugblik op het voorbije jaar die op 31 december 2019 op de site van Het Net Nieuwe Instituut verscheen, kwam de opening ter sprake van I See That I See What You Don’t See. Nadat dit project eerder was getoond als onderdeel van de Triënnale van Milaan, kwam het nu thuis in Rotterdam. De Triënnale onderzocht de ontregelende en soms funeste invloed van de mens op de planeet, mede als gevolg van zijn ontwerpende activiteiten. Misschien, zo veronderstelden de samenstellers, zou onze ontwerpkracht ook in te zetten zijn bij het herstel. I See That I See What You Don’t See concentreerde zich op een wereld waarin geen plaats meer lijkt te zijn voor de nacht, met alle desastreuze gevolgen van dien.
Het Nieuwe Instituut verwelkomde bij de opening meer dan duizend mensen, zo schreef de terugblik. En dan was er nog het symposium. Het stond er alsof het de gewoonste zaak van de wereld was: “In een bomvolle aula luisterden de bezoekers naar presentaties waarin de duisternis het voornaamste thema was.” Meer dan duizend bezoekers op een zaterdag in september, met een bomvol auditorium als toegift. In de werkelijkheid van de anderhalvemetersamenleving – de woorden worden blijkbaar langer naarmate de fysieke afstand tussen mensen toeneemt – klinkt het nu, 365 dagen later, als een surreële droom.

Net als de hele samenleving, en onze collega-instellingen in het culturele veld in het bijzonder, heeft Het Nieuwe Instituut zich het afgelopen jaar opnieuw moeten uitvinden. Soms bleken beslissingen onvermijdelijk die voor medewerkers – bijvoorbeeld toen de organisatie van het Nieuwe Café moest worden ontmanteld – ronduit pijnlijk waren. Het illustreerde nog maar eens de kwetsbaarheid van het bouwwerk dat met de benaming ‘culturele infrastructuur’ zo’n stevig fundament lijkt te hebben. Uiteindelijk gaat het over mensen, en over hun soms breekbare dromen en perspectieven. Ten aanzien van de daadwerkelijke behuizing van het instituut en zijn directe ecologische omgeving aan het Museumpark is de ontwikkeling van een duurzaamheidsvisie juist een belangrijke stap in de goede richting. Met de gemeente Rotterdam en Wageningen Universiteit zijn daartoe onder meer het energiegebruik en de afvalstromen rond de activiteiten van het instituut in kaart gebracht.

Meerstemmig

Het jaar was zojuist begonnen, toen in het kader van de BIS-aanvragen het Activiteitenplan 2021-2024 werd ingediend. Een plan waarin het instituut omschreef hoe het inclusiviteit en meerstemmigheid tot leidende beginselen maakt voor het programma, de werkwijze en de inrichting van de eigen organisatie. Het Activiteitenplan ging vooral in op de projecten die het instituut vanuit het Agentschap voor Architectuur, Design en Digitale Cultuur ter ondersteuning van het professionele veld onderneemt. Met succesvolle componenten zoals het Internationale Bezoekersprogramma en de Reizende Academie, en bijvoorbeeld de Nederlandse deelnames aan de Biennale di Architettura in Venetië.
Maar, de inkt was nauwelijks droog of talloze van deze activiteiten – die vaak een continuering zijn van een beproefde praktijk – konden terug naar de tekentafel. De biënnale werd last-minute afgelast en een jaar vooruitgeschoven. En de bezoekers uit het buitenland? Hoe ontvang je curatoren, journalisten en anderen die zich vertrouwd willen maken met de actuele stand van architectuur, design of digitale cultuur in Nederland terwijl zij niet zonder belemmeringen kunnen reizen en de lokale ontwerpgemeenschap niet werkelijk mogen ontmoeten? Wat laat je ze zien als in het hele land tentoonstellingen, symposia en evenementen zijn geannuleerd? Hoe deel je via het netwerk van diplomatieke posten kennis met de rest van de wereld als er van fysieke uitwisseling zo goed als geen sprake kan zijn?

Het zijn willekeurige voorbeelden van de vraagstukken waarmee 2020 zich op alle niveaus van de voorgaande jaren heeft onderscheiden. Natuurlijk, veel liep gewoon door. Zo zette Research een nieuwe Call for Fellows uit die dit jaar onder de titel Regeneration. New Institutional Practices in het bijzonder aanstuurde op deelname door collectieven. Hen werd gevraagd voorstellen in te dienen waarbij de eerdere thema’s Burn-out en Planetary Exhaustion als vertrekpunt zouden dienen voor collectieve vormen van organisatie en actie. Uit 198 inzendingen van over de hele wereld koos de jury twee collectieven die in oktober 2020 aan het werk gingen: O grupo inteiro uit Brazilië en het in Londen gevestigde Resolve Collective.

Het digitale huis

De absurde werkelijkheid van 2020 zorgde binnen de organisatie al spoedig voor versnelling van een aantal transformaties die erop gericht zijn om naast de fysieke behuizing van het instituut ook het digitale huis op de nieuwe verlangens en urgenties in te richten. Bijvoorbeeld door de ontwikkeling van de open source web-omgeving Enter waarmee op termijn een gebruiksvriendelijk en op menselijke ervaring gebaseerd alternatief wordt geboden voor de stevig bekritiseerde software van enkele Amerikaanse techreuzen.
Een publiekstrekker als het Thursday Night Live! programma schakelde naadloos over naar het online kanaal van Het Nieuwe Instituut. Wekelijkse digitale nieuwsbrieven en webmagazines lieten het publiek delen in de vele activiteiten waarmee het instituut naar buiten bleef treden. De gebruikelijke zondagse wandelingen onder leiding van de ‘omleiders’ – de zogenoemde Sunday Strolls – werden omgevormd tot Sunday Scrolls, gezamenlijke verkenningen van de digitale wereld. Een workshop van de kunstenaars Charlie Koolhaas en Madelon Vriesendorp kreeg de gedaante van een ‘weeklong course’ waarbij het internationale gezelschap deelnemers – geheel toepasselijk – online werkte aan het ontwerp van kamers voor innerlijke reflectie. En via de kanalen van e-flux Architecture startte in het najaar – aansluitend op het actuele discours rond omstreden standbeelden – een reeks beschouwingen over monumenten en processen van herdenken. Het Nieuwe Instituut manifesteerde zich bovendien in de publieke ruimte. Onder meer in de Rotterdamse metrostations waar Shertise Solano en Marcel van den Berg hun in opdracht geproduceerde werk vertoonden. Zij deelden daar hun visies op Black Lives Matter met het reizigerspubliek.

Unieke tentoonstellingservaring

Natuurlijk waren er tentoonstellingen; ook als die soms slechts een uiterst beperkt publiek mochten ontvangen. Huis Sonneveld bleek als belichaming van de ‘gezonde woning’ uit de hoogtijperiode van het Nieuwe Bouwen de plek bij uitstek voor een speciaal rond het hoogst actuele thema hygiëne gemaakte audiotour. Op basis van eigen onderzoek ontwikkelde Research de tentoonstelling Lithium, die in de gedaante van een kuuroord zowel de heilzame als de schadelijke kanten verkende van de onafgebroken menselijke zoektocht naar energie. En Lou Stoppard stelde met The Hoodie een veelbesproken expositie samen over de sweater met capuchon. Een kledingstuk waaraan een schijnbaar eindeloos scala van associaties verbonden is: van verhalen over jongerencultuur en sociale ongelijkheid tot thema’s als privacy en angst. Met het on-site programma The Hoodie Unravelled adresseerde het Rotterdamse ontwerpcollectief Concrete Blossom de vele verschillende thematieken in een reeks (besloten) workshops, openbare lezingen, mini-tentoonstellingen en (online) films.
De gedwongen rantsoenering van het aantal bezoekmomenten, in combinatie met het toenemend gebruik van online media, verleidde het instituut ertoe nog eens stil te staan bij de meerwaarde van een fysiek bezoek en de specifieke context die alleen een tentoonstelling kan bieden. Met Only for You maakt het deze ervaring – tijdens dagen waarop bezoek is toegestaan – uniek. Iedere dag krijgt één bezoeker gedurende een half uur de expositieruimte voor zichzelf. Als tegenprestatie vraagt het instituut deze persoon achteraf de gewaarwordingen van het exclusieve moment te delen.

Hoe essentieel de tentoonstelling als ruimtelijke ervaring kan zijn, werd nog eens perfect zichtbaar in Art on Display 1949-69. De expositie, gerealiseerd in samenwerking met het Calouste Gulbenkian Museum in Lissabon, beleefde zijn eerste editie in Portugal. Centraal stonden enkele van de meest vooruitstrevende naoorlogse tentoonstellingsontwerpen, gemaakt door de architecten Carlo Scarpa, Franco Albini en Franca Helg, Lina Bo Bardi, Aldo van Eyck en Alison en Peter Smithson. Voor de presentatie in Rotterdam realiseerde de Vlaamse architect Jo Taillieu een nieuwe tentoonstellingsomgeving die Art on Display 1949-69 een plaats gaf in de doorlopende reeks 1:1 reconstructies van Het Nieuwe Instituut. Vanuit een tijdelijke studio in het hart van de installatie kreeg het openingsprogramma de vorm van een reeks live gestreamde salons met bijdragen van onder anderen samensteller Penelope Curtis (Gulbenkian), Rein Wolfs (Stedelijk Museum Amsterdam), architect Lada Hrsak en criticus Anna Tilroe.

The Ummah Chroma

Voor een jaar waarin het fenomeen expositie plotseling een zo compleet andere lading kreeg, zijn er eigenlijk verbluffend veel tentoonstellingen gemaakt. Atelier Nelly en Theo van Doesburg richtte de schijnwerper op het omvangrijke programma Architectuur Dichterbij, dat tot 2025 werkt aan de restauratie en digitalisering van architectuurtekeningen en foto’s uit de Rijkscollectie voor Nederlandse Architectuur en Stedenbouw. Door niet – zoals gebruikelijk – Theo naar voren te schuiven, maar juist te onderzoeken hoe cruciaal de rol van Nelly van Doesburg is geweest bij het ontstaan, het bewaren en de overdracht van het werk, opende de tentoonstelling nieuwe zienswijzen. Voorbij het format van de klassieke archieftentoonstelling wisten de samenstellers en ontwerpers Koehorst in ’t Veld de bezoeker mee te nemen op een ontdekkingsreis die vanuit de Rijkscollectie tot ver daarbuiten reikte. Duidelijk werd tevens hoe essentieel digitalisering is geworden voor het ontwikkelen van nieuwe narratieven: ze bleken zich in de expositie letterlijk tussen de verschillende online ontsloten archieven en collecties te openbaren.

In samenwerking met het International Film Festival Rotterdam ontstond een programma rond film- en kunstenaarscollectieven die ook al een alternatief bieden voor de dominante verhalen. Dit thema sloot naadloos aan op het lopende onderzoek naar hedendaagse videoclips als publieke ruimte voor activisme, commercie en emancipatie: For the Record. Naast (online) gesprekken, performances en rituelen waren er twee centrale installaties: G/D Thyself: Spirit Strategy On Raising Free Black Children van het multidisciplinaire kunstenaarscollectief The Ummah Chroma (Terence Nance, Jenn Nkiru, Kamasi Washington, Mark Thomas en Bradford Young) en de installatie Set Stage Screen: Realities of Postproduction. De bezoeker kwam daar in aanraking met aspecten van transcendentie, spiritualiteit en verschillende vormen van zelfexpressie: thema’s die plotseling een volledig andere lading bleken te krijgen.

Houdbaar, bruikbaar, zichtbaar

Naast het realiseren van de tentoonstellingen en omringende activiteiten lukte het de organisatie om meerdere conferenties en symposia te programmeren, en werden er diverse publicaties uitgebracht waaronder Habitat: Ecology Thinking in Architecture en de More-than-Human Reader. Vanuit het eerdergenoemde langjarige programma Architectuur Dichterbij is doorgewerkt aan de restauratie (helaas met vertraging) en digitalisering van ontwerptekeningen uit de Rijkscollectie. Daarbij vormen de drie pijlers houdbaar, bruikbaar en zichtbaar het fundament dat ook in het overheidsbeleid ten aanzien van erfgoed leidend is.
Het jaar 2020 bood gelegenheid om geconcentreerd na te denken over de huidige betekenis van het erfgoed in de ontwerpdisciplines. Dat proces van overwegen is van vitaal belang voor het selectieproces binnen Architectuur Dichterbij. Het is fysiek onmogelijk alle tekeningen en foto’s uit de Rijkscollectie te restaureren en digitaliseren. Bovendien is dit denken ook voor Het Nieuwe Instituut als geheel onmisbaar. Vanaf 2021 gaat het instituut immers functioneren als een erfgoedinstelling met enkele ondersteunende taken. Daarmee schuift de erfgoedtaak naar de kern van de organisatie, wat aan het slot van jaar in het Activiteitenplan Erfgoed 2021-2024 werd vastgelegd. Conform zijn opgave wil Het Nieuwe Instituut dit domein op dezelfde innovatieve manier benaderen als het dat tot dusver heeft gedaan met tentoonstellingsmodellen, onderzoekspraktijken en -thema’s, ontwerpopdrachten, educatieprogramma’s en bijvoorbeeld de vorming van cross-disciplinaire partnerschappen.

Ontwerparchieven

Een belangrijke stap in de nadere profilering van de erfgoedtaak heeft dit jaar vorm gekregen in het Netwerk Archieven Design en Digitale Cultuur, dat door Het Nieuwe instituut gaat worden gecoördineerd en van inhoudelijke input voorzien. Na jaren van schijnbare stilstand, en voortbouwend op initieel onderzoek uit 2019, kon enkele weken geleden via een online lancering de totstandkoming worden gevierd van een archiefvoorziening voor de ontwerpdisciplines die geen plaats hebben in de Rijkscollectie. Tot dusver moesten de sectoren design en digitale cultuur het zonder samenhangend geheugen stellen. Het netwerk van archiefvormers en -beheerders zal nu een brug slaan tussen de vele deelarchieven, en die via een centrale digitale ontsluiting met de wereld delen. De focus ligt uitdrukkelijk bij de gebruikers. Zij zullen actief worden betrokken bij het onderzoeken en verrijken van de collecties. En zo meehelpen om op basis van meerstemmigheid de heersende canon in deze ontwerpdomeinen ter discussie te stellen.
Feitelijk geldt deze ambitie voor het complete programma dat Het Nieuwe Instituut in 2021 hoopt te realiseren: betrokkenheid genereren, activeren, gezamenlijk nieuwe visies ontwikkelen en telkens nieuwe groepen bij dat proces betrekken. Hopelijk ontmoeten we elkaar dan ook weer in een goed gevuld auditorium, of bij de opening van een nieuwe tentoonstelling.